De Route






De bedenkers van de route wilden de belopers zo veel mogelijk van het eiland laten zien. Dat is aardig gelukt. Alleen in het onherbergzame Zuiden en Westen is er een behoorlijk tekort aan wandelpaden, zodat dat niet in de route was opgenomen. Wacht eens even. Nu ik er over nadenk: Dit wil niet zeggen dat de route altijd over wandelpaden ging. Soms moest je maar gokken dat je over de juiste rotsblokken heenklauterde. Maar over het algemeen - hoe steil het ook liep - was er sprake van paden die al eens eerder door mensen waren belopen.
De route ging van San Sebastian naar Hermigua, naar Chipude, naar Valle Hermoso, naar San Sebastian. Midden op het eiland ligt het Parque Nacional de Garajonay wat we een paar keer doorkruisten. In Valle Hermoso verbleven we twee nachten. Voor de tussenliggende dag stond een rondwandeling gepland, maar verkozen we ervoor een rustdag in te bouwen. Totaal hebben we ongeveer 85 kilometer gelopen. De wandeling stond te boek als zwaar, op de site van SNP aangegeven met 3 schoentjes, de hoogste categorie die je als amateur kunt lopen.




De eerste dag kregen we vanuit San Sebastian een taxirit naar Las Casetas. Daar begon de route pas. Mooi, dat scheelde al de helft van de kilometers, nu hoefden we er nog maar 9. We grapten dat we met de lunch wel in Hermigua zouden aankomen. Dat was grootspraak. We waren aan het eind van de middag heel erg blij dat de route zo gepland was dat dit de eerste etappe was, de kortste. Met moeite hadden we de eerste en enige berg van de dag gepasseerd. De volgende dagen werden alleen maar zwaarder, maar door de opbouw voelde dat niet zo aan.




Lag er de eerste dag eigenlijk alleen maar een berg in de weg, de tweede dag waren de obstakels al een stuk talrijker. Ondanks lichte regen konden we genieten van schitterende uitzichten. Soms bleven we gewoon even staan om goed rond te kijken en de pracht in ons op te nemen. Lopen en rondkijken kun je niet tegelijk, dat is op La Gomera te gevaarlijk. Een misstap en je ligt beneden. Dat is een 'short cut' die je niet wilt nemen. Overigens diende het stoppen en rondkijken veelal als excuus om even op adem te komen.
Op zeker moment staan we oog in oog met een enorme waterval. Als we de schoonheid voldoende op ons in hebben laten werken, realiseren we ons dat we langs de berg omhoog moeten om straks aan de bovenkant van de waterval uit te komen. Oei, dat is best een flink eind. Er staan diverse hoge bergen rondom ons, maar de waterval komt nou juist precies van de hoogste vandaan. Alsof dat nog niet genoeg angst inboezemt, bedenkt Hannie zich dat alle bergen die we nu zien, en ook die 'daar achter' er nog boven uitsteken, allemaal lager zijn dan het hoogste punt van het eiland. En dat hoogste punt is nu net waar we vandaag naar op weg zijn. Vandaag stijgen we meer dan 1000 meter.
Op het hoogste punt staan we boven de wolken, die het uitzicht flink belemmeren. Ik ben behoorlijk 'op'. Net passeerden we 2 mensen die mogelijk interesse hadden om ook een wandeling te maken. Ze vroegen me hoelang wij over dit stuk hadden gedaan. Ik kon niet meer denken en zei: 3 uur. Ze knikten naar elkaar, dat leek hen wel wat. Hannie gaf me een knal. Wat zeg je nou toch, we lopen al bijna 6 uur, hoor!
Hier, on top of the world - nou goed dan, op top of het eilandje - kwamen we bij van de tocht. Maar we moesten nog een stukje verder naar Chipude. Het laatste stuk sloeg het weer om, het begon flink te waaien en te regenen. Boze tongen beweren dat het hier spookt, en dat het hier zelden mooi weer is. Met de eindbestemming bijna in het oog vonden we dat niet zo erg.




Op dag 3 vermoedden we dat we al goed getraind waren, en dat waren we ook wel, maar toch kregen we het flink voor de kiezen. Eerst en vooral omdat het de eerste anderhalf uur werkelijk hondenweer was. We waren het spookdorp Chipude nog niet uit of we waren al doorweekt. Geen goed begin van de dag. Daarbij kwam nog eens dat de te lopen route op een paar punten zeer dubieus was omschreven. Ik vervloekte SNP voor het opnemen van Chipude in de wandeling.
Vandaag bestond het grootste deel van de route uit bos. Paden waren modderig en glad. En ook al liep de weg overwegend naar beneden, Hannie maakte veelvuldig gebruik van haar wandelstokjes. Nee, dat zeg ik verkeerd: juist omdat het naar beneden liep, had ze die dingen nodig. 1000 meter afdalen is dodelijk voor je knieën. We besloten nog voor aankomst de volgende dag tot rustdag te maken.
Zoals de meeste dagen hadden we al op kilometers voor het eind de eindbestemming in zicht. De eerste keer is dat wel prettig, je hebt het idee dat je er dan al bijna bent. Maar na een paar keer weet je dat je er nog helemaal niet bijna bent, en je haalt dan ook liever de routebeschrijving erbij om te controleren hoe erg je ogen je nu weer bedriegen.




Hoera, op dag 5 is het einde in zicht. Dat klinkt alsof we halverwege de reis er al flauw van waren. Dat waren we niet. En na de rustdag zeker niet. Bovendien was het nog goed weer ook, en beloofde de route vandaag heel mooi te worden.
Eerst liepen we het dorpje uit. Valle Hermodo is omringd door bergen, we zagen het dorp nog geruime tijd liggen, het werd kleiner en kleiner, maar verdween pas uit het zicht nadat we de gigantische steen waren gepasseerd die ons al anderhalve dag angst in had geboezemd. Dat was me nog eens een kei, gelukkig hoefden we er niet overheen, maar langs te lopen. Van bergpaadje naar bergpaadje liepen we de rest van de dag veelal relatief vlakke stukken. Door een ander dorpje, langs een groot stuwmeer, dan opeens weer loodrecht naar boven. Variatie genoeg. Maar er was iets wat we niet helemaal begrepen. Er 'ontbrak' nog een goeie 500 meter hoogte. Toch waren we al op 2 kilometer voor het eind van de etappe en het pad ging maar niet dalen. Klopte dit wel? We gingen zitten voor een broodje en bekeken de route nog eens. Een ander Nederlands stel passeerde ons, we groetten elkaar. We waren buren geweest in Valle Hermoso, maar hadden eigenlijk niet veel gepraat. Zij liep met een beugel om haar been, vast niet makkelijk. Toch knap dat ze dit nog kon doen. Bij nadere kennismaking bleek dit stel al jaren doorgewinterde wandelaars te zijn, ze hadden wel moeilijkere tochten gemaakt. In IJsland, een paar jaar geleden, was het echter fout gegaan. Ze was van een berg gevallen, een vrije val van 6 meter, waarbij ze rechtstandig op haar been geland was. Dat ze dat been nog had was al een klein wonder, en hetzelfde gold voor haar rug. We prezen haar doorzettingsvermogen, en slikten nog eens bij de gedachte aan de soms gevaarlijke routes die we deze week al hadden gelopen. We realiseerden ons terdege dat een en ander zeker niet zonder gevaar is.
Na de versnapering gingen we hen achterna. We moesten nu toch echt eens gaan dalen want... ah... juist... (slik)... 50 meter verder werd het ons duidelijk, nu zagen we het pas. We stonden aan de rand van de berg, boven het dorpje Hermigua, waar we al hadden verbleven 4 dagen geleden. We probeerden het hotel te ontdekken maar het lukte niet. Wat een hoogte! Nu moesten we langs ijzig kleine paadjes, tussen een woud van cactussen door, ons een weg banen naar het dal. In geen tijd haalden we het stel weer in, zij moest regelmatig rusten. Dit stuk was echt te veel voor haar. Tot onze eigen verbazing ging het ons - na 4 dagen trainen - eigenlijk wel vrij gemakkelijk af. Het was alleen zo warm, zo warm. Soms keken we om - eerst stilstaan, dan pas omkijken - en konden het pad wat we hadden gelopen niet meer zien. Ook naar beneden kon je het niet waarnemen. Je gelooft gewoon niet dat hier een pad is, een pad kan zijn, als je er niet zelf opstaat.
Bij het hotel aangekomen - we kenden de procedure - zelfbediende we ons van 2 grote pilsen. Ze smaakten heerlijk. We toasten op de overwinning, zo voelde het.






Belachelijk snel is zo'n week al weer om. Maar het was goed geweest. We hoefden alleen vandaag nog even ... HOEVEEL!?... 24 kilometer te lopen!?
Vroeg op pad, niet overhaasten, maar toch de tijd een beetje in de gaten houden. Het pad verdween zoals verwacht snel de bergen in en wij verdwenen mee. Je hebt niet echt een keus. Op een bepaalde plek, gelukkig nog vroeg in de ochtend, was het zeer vervelend geen keus te hebben. We moesten over een broos stuk rots lopen, ietwat overhellend boven een flinke diepte. Je kon zien dat er regelmatig stukken uit waren gevallen. Het was onmogelijk de veiligheidsvoorschriften in het oog te houden, die waren er niet. Nee, de minder valide medemens voelt zich niet thuis in de bergen van La Gomera.
Een enorme lus in de route besloeg bijna een derde van de afstand. Aan het begin van de lus konden we het eind al zien. Iets wat te overzien is kan nooit zo lang zijn. En het was nog vlak ook. Een goed uur, schatten we. Mis. Heel erg mis. Wat niet te overzien was, waren de lussen in de lus, en sommige van die lussen hadden nog eens lussen in zich. Het leek een enorme fractal, waarin je halverwege (?) niet meer wist waar je je precies bevond. Erg verraderlijk en vermoeiend. En nog dubbel verraderlijk, omdat je -wanneer je er eindelijk uit bent, en je ziet San Sebastian al liggen- denkt dat je er nu echt al bijna bent. Weer mis.
De proviand vond zijn weg inmiddels als vanzelf naar onze hongerige monden. Des te minder hoefden we te dragen. Langs een kleurrijke, schitterend uitgesleten rotspartij verloren we langzaam weer het zicht op de eindbestemming, en langzaam ging de zon onder. Een zee van cactussen begroette ons, en wij groetten terug, welopgevoed als we zijn. Welopgevoed of niet, we waren behoorlijk aan ons eind. De laatste kilometer, het dorp in en naar het hotel, stond niet meer beschreven, we moesten het zelf vinden. Dat was niet moeilijk, maar we wilden geen stap teveel zetten, dus puzzelden we wat. We prefereerden de steile afdaling van trapjes tussen huizen door, boven de geasfalteerde helling waarop onze voeten echt te veel pijn deden. Voldaan maar heel erg moe strompelden we het hotel binnen. Het bier was koud en smaakte goed, het bad was warm en smaakte nog beter.