De Hotels



Om met de deur in huis te vallen: het is over het algemeen goed gesteld met de hotels op La Gomera.
Het waren geen hokjes waar je je kont niet kunt keren. Het waren ruime kamers, met meestal een bad, of anders een goed functionerende douche. 'Gelukkig' was dat 1 keer niet zo, zodat we extra genoten van alle andere keren.
Soms was er een balkonnetje bij, of een zitje. Er was vaak flink wat hout in het interieur verwerkt, wat het allemaal een wat warmere uitstraling geeft.
Het was heerlijk om na een lange wandeling ergens aan te komen en te ontdekken dat de hotelkamer je precies biedt wat je hoopt dat het zou bieden. We hebben vaak genoeg in een Costa del Waardanook gezeten om te weten hoe je je niet thuis voelt.

De eerste dag arriveerden we natuurlijk pas in de avond. We gooiden onze spullen neer en gingen meteen weer weg om iets te eten. Maar meestal kwamen we bij het volgende hotel aan aan het eind van de middag. We hadden dan nog wat tijd over om uit te blazen, bij te komen, te douchen, nog een beetje bijkomen... en vaak pakte Hannie tegen die tijd alweer de route voor de volgende dag ter hand, nog voordat we een restaurantje gingen opzoeken.
Ik sla nu iets over... Het allereerste wat we deden na aankomst was een paar biertjes bestellen. Laat ik dat niet vergeten. Dat eerste biertje smaakt ge-wel-dig. Niet te vergelijken met andere biertjes.






De eerste nacht (en de laatste ook) verbleven we in de grote stad, al is de term uit de kluiten gewassen dorp ook zeer op zijn plaats. De andere nachten verbleven we in guesthouses, lodges... hoe zeg je dat? Ja goed, eigenlijk zijn het ook gewoon hotels, maar ik geef er graag een andere naam aan. Het zijn geen blokken van 5 hoog, met identieke kamers op elke identieke verdieping. Het zijn unieke gebouwen, wat ook logisch is, omdat de bergen nu eenmaal niet toestaan dat je twee dezelfde huizen naast elkaar zet. Simpel zat.
Na de eerste wandeldag waren we in Hermigua, waar de kamers bloemennamen hadden. We overnachtten in Agave. De vijfde nacht waren we er nogmaals, maar welke kamer we toen hadden weet ik niet meer. Het uitzicht was vanzelfsprekend iedere keer adembenemend.
In Chipude viel de kamer wat tegen. We waren afgepeigerd bij aankomst, het waaide enorm en het was koud. Hannie dook meteen even onder de wol. Ik ging in bad. Maar een uur later waren we nog altijd niet opgewarmd. De kamer had 1 klein straalkacheltje en een tegelvloer die werkelijk ijskoud was. Het enige wat ons van de barre buitenwereld scheidde was een enorme schuifpui, die niet bepaald was geplaatst om zijn isolatievermogen. We moesten extra dekens uit de kast halen om het nog een beetje aangenaam te krijgen.
's Avonds bleef ik langer op dan Hannie. Omdat er niets maar dan ook niets anders te doen is in Chipude dan aan de bar hangen, verbleef ik in de kantine.... sorry, de bar van het hotel. Ik probeerde eerst een biertje en toen een whisley-cola, maar wilde toch graag ook iets van het eiland proeven. Dat kon. Ik kreeg een Gomeron, wat een mix is van parra (de locale schnapps, vergelijkbaar met grappa) en palmhoning. Het is denkelijk ook in winkels te koop maar de fles waar mijn glas uit werd geschonken was van eigen makelij. Het echte werk dus! Echt of niet, zelfgestookt, het zal allemaal vast, maar het was niet te zuipen. Jammer maar helaas. Of ik nog een tweede glas wilde?... ik gebaarde dat het me te veel werd en bewondering had dat anderen het konden drinken. Op die manier hoefde ik niet met zoveel woorden te zeggen dat ik liever een glas geitenzeik zou ledigen.
Dat dingen niet met zoveel woorden gezegd konden worden had veel te maken met het feit dat de mensen hier nauwelijks Engels spraken. Chipude is een dorp van een paar honderd huizen, waarvan de helft leeg staat. Er gebeurt eigenlijk nooit iets. De bezoekers aan de bar keken naar Dancing with the stars, en dachten er allemaal het hunne van. Toen werd er nog wat muziek gedraaid, de spaanstalige versie van I still haven't found what I'm looking for. Daar dacht ik dan weer het mijne van en ging naar bed.




In Valle Hermoso, in hotel "Tamahuche", hadden we een betere kamer, en dito uitzicht. Het was niet bijzonder warm, maar we konden lekker voor de deur zitten op de eerste verdieping, uitkijkend over het dorp. Het dorp met stadse allure, volgens de reisgids. Dat is misschien wat hoog van de toren geblazen, maar na een bezoek aan Chipude geloof je het vanzelf wel.
We zaten graag uit te kijken over het dorpje-met-stadse-allure, want als we dat niet deden, keken we misschien per ongeluk opzij naar een knijter van een bergtop waarvan we wisten dat we er de volgende dag langs moesten. Het boezemde ontzag in.
Hoewel de eilandbewoners overal stickers plakken die je vragen om zuinig met het water te doen, namen wij de kans waar om op onze rustdag vaker onder de douche te springen dan op enige van de wandeldagen. Er is nauwelijks een zwembad op het eiand te vinden. Je moet wat, op je rustdag, op vakantie.




Toen we opnieuw in Hermigua mochten verblijven, in hetzelfde hotel "Ibo Alfaro", voelde dat alsof we al een beetje op de terugweg waren. En inderdaad, we hadden hierna nog maar 1 wandeldag voor de boeg. Dit keer kwamen we van een geheel andere kant op het hotel afgelopen, niet vanaf links, niet vanaf rechts, maar vanaf boven (maar daarover meer in "route").
We stonden vroeg op, de laatste wandeldag, we hadden een flinke tocht voor de boeg. We genoten van het ontbijt, we konden kiezen uit wel 97 soorten granen die je door je yoghurt kon gooien. Nu krijg ik 's morgens toch al met de grootste moeite iets door mijn keel en het aanbod was daar voor mij dan ook niet erg bevoordelijk voor. Maar met wat stukjes fruit en een hardgekookt ei, en yoghurt-zonder kreeg ik genoeg binnen om het eerste uur te overleven.

In de avond werden we niet onder luid gejuich binnengehaald, geen menigte achter dranghekken die ons bejubelde, en ook de dame achter de balie van het hotel herkende ons niet van 5 dagen tevoren. We checkten in, vielen voor dood neer, en pakten een blikje bier uit de minibar. Alles deed pijn, maar het was lekkere pijn. We hadden het volbracht. Van het hotel hebben we de laatste avond niet zo veel gezien, behalve dan toen we nog een rondje liepen voor het slapengaan en aan de achterkant langs een parkje liepen. Wat een exotische bomen. En wat een exotische geuren, bijna penetrant, waar zou dat toch precies vandaan komen? Hannie keek niet naar de bomen, maar ontdekte een muurtje aan de achterkant van het hotel wat dienst deed als openbaar toilet. Aha, daar kwam het dus vandaan. We besloten naar de kamer te gaan.


En dat was dat. Dat waren de hotels op La Gomera. Morgenavond weer in ons eigen bedje.....

Helaas, het mocht niet zo zijn. De volgende avond lukte het Iberia niet de aansluiting te maken op de transfer in Madrid en verbleven wij noodgedwongen in een 4-sterren hotel in de grote stad. We hebben niets van Madrid gezien, maar werden in ieder geval flink in de watten gelegd. We werden ontvangen door de eerste Spaanse meneer die we deze week correct Engels hebben horen spreken, kregen een rookkamer aangemeten, duidelijke instructies over het verzamelen de volgende ochtend in de lobby voor de bus terug naar het vliegveld, en kregen een gastenkaart die ons in staat stelde te genieten van een uitstekend buffet in het restaurant.
Tegenslag en frustratie verdwenen als sneeuw voor de zon. Daarvoor in de plaats kwam een voortreffelijke rioja ten tafel die we ten volle hebben weten te appriciëren.
Hoewel we vandaag niet hadden gewandeld, waren we door vliegveldperrikelen behoorlijk afgemat en gingen we niet later dan nodig slapen. Tel daar de riante badkamer bij op, en de geweldige bedden van dit hotel die het nog extra goed mogelijk maakten om binnen vijf minuten in dromenland te zijn. Ik denk dat ik droomde van bergen, hotels, van hotels in de bergen, en van bergen vol met hotels. Maar ik droomde in het Spaans dus ik begreep er zelf helaas niet al te veel van.
Een stevig ontbijt gevolg door dito transfer, lanceerde ons naar het vliegveld. Vanmiddag zouden we thuis zijn.