Flora en Fauna







Flora hier, flora daar, flora overal. Maar toch is het niet het spannendste aspect van een bezoek aan La Gomera. De flora is talrijk maar nogal eenzijdig. Goed, tweezijdig misschien, maar dan heb je het wel zo'n beetje gehad. Er zijn heel veel cactussen en vetplanten, maar het zijn allemaal dezelfde cactussen en vetplanten. En behalve dat zijn er bossen met bomen en struiken, maar niet met echt bijzondere bomen en struiken. Natuurlijk, er is meer, veel meer, maar dat zijn de meest in het oog springende groeisels.
Verder loop je regelmatig tegen een 30 meter hoge palmboom op, en sommige valleien staan vol met bananenbomen. Heb je het over bananen dan heb je het over La Gomera, heb je het over La Gomera dan heb je het over cactussen. Zie je wel, daar zijn die cactussen weer. Ze zijn werkelijk talrijk.






De fauna - oftewel: de beestjes - zijn niet onze vrienden geworden deze week. Niet omdat ze niet vriendelijk waren maar omdat ze zich nauwelijks lieten zien. De reden laat zich raden, er is bijna geen fauna. Een gele vogel, een zwarte tor, een stuk of wat bijen voor de honing, dat was het wel. Dat kwam niet als een verrassing, de gids had niet eens een hoofdstuk aan het onderwerp gewijd.




Er is een vogel die op weinig ander plekken voorkomt dan op La Gomera. Hou je ogen goed open voor de Barbarijnse Fazant. Een hele belevenis. Een belevenis die wij niet aan onze neus voorbij wilden laten gaan, dus knoopten wij dit goed in de oren.
De Barbarijnse Fazant... ging het door ons heen... Stel je voor...
Op de ochtend dat we van Chipude naar Valle Hermoso regenden, kwamen we de enige beschutte rustplek van de dag al tegen na 3 km. Te kort. Je bent net begonnen, je bent doornat, je hebt nu al geen zin meer, maar je bent totaal niet moe. Nu te gaan zitten opdrogen is volstrekt zinloos. Aan de andere kant, je weet dat je de rest van de dag niks meer tegenkomt. Wat te doen? We liepen door. Verstandig. Bah, wat waren we verstandig.
Even verderop zaten twee Barbarijnse Fazanten op een voor hen beschutte rustplek, in een stukje laag struikgewas. Ze deden niet veel, ze wachtten maar een beetje tot de regen overgewaaid was. Het regende al minder, maar het waaide nog erg hard. Waarschijnlijk daarom hoorden ze niet dat er twee doornatte wandelaars aan kwamen lopen, ze liepen zo dwars door het struikgewas heen. Ten minste, op het pad dan, want er was een soortement van pad. Maar toch, ze waren opeens al gevaarlijk dichtbij. Van de schrik vlogen ze op, eerst de een, een paar seconden later de andere, beide met ongelofelijk veel poefa en lawaai.
De twee nietsvermoedende natgeregende wandelaars schrokken zich twee hartverzakkingen elk, en riepen de vogels tal van namen en verwensingen na, zonder de juiste te gebruiken. De juiste naam lazen ze pas aan het eind van de middag in een boekje, het was de beroemde, de befaamde, ik mag wel zeggen de legendarische Barbarijnse Fazant.






Als de Agave aan het eind van zijn latijn is ("Agave Americana") schiet er een scheut uit het midden naar boven. Dat gaat in zeer rap tempo, gemeten in vetplantensnelheid. Daaraan groeien gele bloemen. Na bloei ontstaan er pitten (of noten of zaden of weetikveel) die een stuk verder naar beneden vallen en waaruit mogelijk een nieuwe plant ontstaat.






Als je door zo'n oneindig veld, zo'n uitgestrekte zee van cactussen loopt, waan je je als vanzelf in de betere (dus slechtere) spaghetti western. Je verwacht op elke hoek van de straat een saloon. Eigenlijk is de enige reden dat er geen saloon is, dat er geen hoek van een straat is. Ook ga je automatisch een beetje als Clint Eastwood praten. "Er zijn twee soorten mensen, liefje, die met de bagage op hun rug, en die met de watervoorraad."